En toen.
Ik waarschuw je; een vreemde tekst, vreemde gedachten en een dikke klodder fictie.
En toen was het vijf jaar later. Daar zat ik dan, het was ergens een week in juli, en ik had een week verlof genomen. Het was stil thuis, en dus zette ik zoals elke avond wat muziek op. Een loft in de stad had ik me dan uiteindelijk toch kunnen permitteren, en voor de deur stond de Mini waar ik al sinds mijn studententijd van had gedroomd. Een fijne muziekinstallatie en 'n lichtinstallatie voor feestjes, die er toch nooit waren. Een projector die ik als TV had geïnstalleerd. Verder hing er nog abstracte 'kunst' aan de witte kale muren en dat was het dan.
Ik was alleen en ik had niemand, en dat gaf me tijd genoeg voor mezelf. Ergens vond ik dat erg, maar toch ook niet. Want mensen, daar kon je toch maar in ontgoocheld raken. Dat had ik me vroeger eens wijsgemaakt, en van die gedacht was ik sindsdien nooit meer afgeraakt. Ik dacht terug aan de moeilijke studentenperiode waar ik was doorgekomen. Uiteindelijk. Via een traject dat veel te zwaar was en dat veel moeite had gekost.
Ik dacht terug aan de vrienden van Leuven. En van geen enkele hoorde ik nog. Daarom had ik geen spijt dat ik naar het buitenland was vertrokken, want als je nog weinig hebt, kan je weinig achterlaten. Dat is een beetje zoals liegen; hoe minder je liegt, hoe minder je moet onthouden. En met de rode Martini in de hand dacht ik verder.
Over de vriendinnen die ik had gehad. Van wie hoorde ik nog iets? Er waren er zo'n drie die me toen veel betekenden. Van de eerste had ik al jaren niets meer gehoord. We leefden ooit zo dicht bij elkaar, en op de andere moment was dat gedaan. Onze wegen hebben nooit meer gekruist en de spijt die ik daarvan had gehad, was ondertussen begraven onder een stoflaag karakter. Van de andere kreeg ik op nieuwjaar nog altijd een mail. Maar dat was omdat ik in zo'n mailinglist stond van honderden personen, en echt uniek en voor mij was dat dan niet meer. Ik nam wel elk jaar de moeite om een persoonlijke mail terug te sturen. En daar eindigde de conversatie dan altijd. De derde schreef me soms nog wel. Het waren vreemde brieven, maar ze waren lachen. De frequentie verminderde wel zienderogen, en sinds vorige zomer had ik niets meer van haar gehoord. Ook haar heb ik op een of andere manier moeten laten gaan. Het was een rare situatie maar we raakten er niet uit. En zo was er altijd wel iets. Maar ik zag ze allemaal verdomd graag, en ik probeerde ze te behandelen als prinsessen. Ik voelde me toen koning.
Het was vijf jaar later en elk weekend nam ik de wagen. Vroeger kreeg ik nooit de wagen mee van thuis. En nu ik er eentje had, genoot ik dan ook van de vrijheid die mij dat gaf. Ik reed naar de zee, naar de bergen, naar de natuur. Naar Parijs. Ik gooide steentjes in het water en als ze vijf keer sprongen was ik tevreden. Ik liet de wind waaien in mijn gezicht en soms weende ik dan om niets. Ergens besefte ik wel dat alles simpeler was geworden in mijn hoofd. Het ingewikkelde dat vroeger mijn geluk moest bevredigen had ik weggejaagd, of was uit zichzelf verdwenen. Ik voelde me simpel, alleen, en misschien wel gelukkig. Al had ik het gevoel dat ik vroeger wel gelukkiger was, of dat toch pretenteerde te zijn.
En toen was het vijf jaar later. Mijn gedachten die dan zouden achteruitkijken zouden op die momenten de gedachten van nu die voorwaarts kijken ontmoeten. En wat zou ik dat moment haten. Maar dat wist ik nu nog niet. Ik dacht nu dat alles goed ging komen. Het was en is een vreemde tijd, maar we zien wel. Dat zei de derde vaak, en ik geloof er nog steeds in, nu, en vijf jaar later.
Dimitri