Trein, station, mensen

Sinds lang zat ik nog eens in een dubbeldektrein. Ik zie een meisje van de trap komen, ik lach eens, ze lacht terug. Ik stap af, ik kijk om en ze lacht nog eens. Ik vraag: "tiens, kennen wij elkaar?" "Nee", zegt ze, "maar ik lach altijd terug op mensen die naar mij lachen, want ik heb een identieke tweelingzus, en het zou kunnen dat je haar kent". En dan nog een kort gesprekje, en de wegen liepen alweer uiteen. Dubbeldektreinen zijn speciaal.

Even later. Ik heb een jonge papa in't oog. Ziet er een toffe kerel van rond de 30 uit, en hij komt met zijn twee kindjes de mama opwachten. Hij babbelt met z'n twee kindjes (zo kom ik te weten dat ze de mama opwachten), neemt ze alletwee uit de wagen en met die twee padadders op zijn armen gaan ze de mama opwachten. Ik vind hem een zalige papa en ik smile omdat zoiets mij gelukkig maakt. De treinbestuurder toetert op hen en zwaait. Ze verdienen het, met zijn drietjes.

Ik zit op de grond te wachten op mijn ouders. Als die papa en die mama met de twee kindjes (nu rond de mama) terug naar de wagen komen, vraagt hij aan mij: "Komen ze jou nog ophalen?" "Ja, zeker, dankjewel," zeg ik. En dan roep ik hem na: "éé goed weekend hé! Amuseert u met de kinderen". En hij lacht en roept terug, "Ja, jij ook, maar dan zonder kinderen, denk ik". En we lachen. Ik wou nog zeggen dat ik hem een prachtige papa vond. Maar ik heb het toch maar niet gedaan. Misschien had ik het moeten doen, ik weet het niet.

Ik kijk naar mensen, ik analyseer graag mensen, want ik hou van mensen.