Die Avond
Luide, onregelmatige voetstappen wekten mijn aandacht. Door het vochtige, koude weer leken de holle klanken van bottines nog scherper door de smalle steile kasseistraatjes te klinken.
Ik schoof het dikke boek dat ik al driemaal was beginnen lezen, maar waarvan ik zelfs nog nooit hoofdstuk twee had bereikt, voor de zoveelste keer opzij.
Ofschoon middernacht nog maar net door de klokken was geluid, liep er zoals gewoonlijk geen kat op straat. Enkel de kat van de buren misschien, maar die lag vaak toch maar aan mijn deur te janken van de regen en de kou. Dan mocht ze bij mij binnen, en ging ze meteen aan de kachel de melk die ik haar schonk oplikken. Zo'n taferelen waren de gewoonte bij mij, in een zijstraat van Parijs, tegen Montmartre aan, voor deze tijd van het jaar en op 'n afgegrijsde dinsdag als deze. En toen hoorde ik opeens die naarstige voetstappen.
Ik draaide het raam open en hing mezelf over de lege bloembakken naar buiten. Rond de lantaarns kringden miststrepen voorbij en ik merkte dat er nog wat motregen viel.
De voetstappen bleken al gauw van een rennende vrouw te zijn. In de verte klonk geroezemoes en nog meer voetstappen. Hoewel mn vingers verkrampt waren van de kou en van het vele schrijven, had ik toch nog altijd dat fingerspitzengefühl wanneer er iets niet pluis was, en voor ik het wist, had ik al "wacht hier! snel!" geroepen. Nog geen tien seconden later had ik al én de sleutelbos uit mijn nachtkastje gegritst én de voordeur opengemaakt.
Zonder iets te vragen of te zeggen haastte ze zich binnen. De deur viel dicht in slot. Een paar momenten later klonken haastige doffe stappen dichter, en daarna weer verder. Een verwaaide jonge vrouw, rillend van de kou maar met een fijne glimlach stond voor me. Ik nam mijn mantel van de kapstok en legde hem over haar schouders. Ik liet haar zitten in het salon. "Thee?", vroeg ik, terwijl ik een dikke houtblok, die ik eigenlijk gespaard had voor de komende dagen, in de kachel stak. "Ja", zei ze stil, "heel graag".
Ik schoof het dikke boek dat ik al driemaal was beginnen lezen, maar waarvan ik zelfs nog nooit hoofdstuk twee had bereikt, voor de zoveelste keer opzij.
Ofschoon middernacht nog maar net door de klokken was geluid, liep er zoals gewoonlijk geen kat op straat. Enkel de kat van de buren misschien, maar die lag vaak toch maar aan mijn deur te janken van de regen en de kou. Dan mocht ze bij mij binnen, en ging ze meteen aan de kachel de melk die ik haar schonk oplikken. Zo'n taferelen waren de gewoonte bij mij, in een zijstraat van Parijs, tegen Montmartre aan, voor deze tijd van het jaar en op 'n afgegrijsde dinsdag als deze. En toen hoorde ik opeens die naarstige voetstappen.
Ik draaide het raam open en hing mezelf over de lege bloembakken naar buiten. Rond de lantaarns kringden miststrepen voorbij en ik merkte dat er nog wat motregen viel.
De voetstappen bleken al gauw van een rennende vrouw te zijn. In de verte klonk geroezemoes en nog meer voetstappen. Hoewel mn vingers verkrampt waren van de kou en van het vele schrijven, had ik toch nog altijd dat fingerspitzengefühl wanneer er iets niet pluis was, en voor ik het wist, had ik al "wacht hier! snel!" geroepen. Nog geen tien seconden later had ik al én de sleutelbos uit mijn nachtkastje gegritst én de voordeur opengemaakt.
Zonder iets te vragen of te zeggen haastte ze zich binnen. De deur viel dicht in slot. Een paar momenten later klonken haastige doffe stappen dichter, en daarna weer verder. Een verwaaide jonge vrouw, rillend van de kou maar met een fijne glimlach stond voor me. Ik nam mijn mantel van de kapstok en legde hem over haar schouders. Ik liet haar zitten in het salon. "Thee?", vroeg ik, terwijl ik een dikke houtblok, die ik eigenlijk gespaard had voor de komende dagen, in de kachel stak. "Ja", zei ze stil, "heel graag".