Die Avond (3)

De dagen schoven voorbij. Vanuit mijn luie zetel staarde ik naar buiten, naar de strepen wolken die zonder doel voorbij trokken. Het boek dat ik had gelezen totdat ze hier was binnengevallen lag nog steeds onaangeroerd op het nachtkastje.

Er ging geen minuut voorbij of ik dacht aan haar. Ik kon elke minuut wel herbeleven, en dan voelde alles weer goed. En de andere moment voelde ik me rotslecht. Dan dacht ik dat ze misschien weer bij die vent was, die ik nu al, zonder hem ooit gezien te hebben, de meest lelijke achterbakse klootzak ooit vond. Of dan fantaseerde ik. Hoe ik haar rug zou masseren met de heerlijkste en zachtste olie die ik had. Die rook naar J'adore van Dior, net een aromatische mengeling van amandelen, zoete marsepein en amaretto tesamen. En dan streelde ik met mijn wijsvinger over de bovenkant van mijn linkerhand en dan dacht ik dat ze wel zachter moest zijn, en kwetsbaarder, maar vooral zachter. En dan was ik droevig, want zoiets, dat miste ik.

Toen 's avonds de eerste regendruppels op het raam kwamen weende ik zachtjes mee, en toen het harder regende huilde ik alle ellende eruit, ik weende hard, en dat hoorde niemand, want de slagregen kletste zo luid tegen de ramen en door de straten zegevierde de ruis van de eindeloos grijze regen zo hard, dat mijn onbegrensd gesnotter werd overtroffen door onweer en natuurgeweld. Omdat het blééf regenen en ik zolang niet kón wenen, legde ik een groovende vinyl op mijn pasgekochte (tweedehands)platenspeler. Want toen de koekoeksklok uiteindelijk dan toch de geest had gegeven, kreeg ik het zo op mijn heupen van die enerverende stilte, dat ik die dag zelf nog de lang uitgestelde aankoop deed. Terwijl ik aan haar dacht, liet ik de versterker zijn gang gaan en liet de ramen, glazen en eigenlijk het ganse huishouden meetrillen op het doordrammende gedreun van drie steeds dezelfde platen. Die was ik een paar uur na de aanschaf van de speler gaan kopen, omdat ik met mijn verwarde droomkop er niet eens aan had gedacht dat ik nog niet eens platen had.

Na een paar dagen had ik er genoeg van. Ik herinnerde mezelf aan de woorden van mijn eerste ex, die me na de mooiste relatie ooit zei, dat ik nooit nog iemand zou hebben die me zo liefhad als zij toen. En na al die jaren had ze nog altijd gelijk. En toen vloekte ik, dacht godverdomme wat haal ik toch in mijn hoofd, een wildvreemde van enkele uren hypen als de idealiteit, mijn hart aan haar verliezen en nog harder liggen grienen als de kat van de buren. Ik beeldde mij in dat ik toen in mijn eigen hersenen reisde en ik er eigenhandig alles uitkieperde of kapotsloeg wat met haar te maken had.

Toen was ze vergeten, en dat vond ik zó prachtig gedaan dat ik mezelf trakteerde op een glas rode wijn en een ganse reep chocolade en een sigaret tegelijkertijd. Ik klapte de voetsteun van de zetel uit, wierp nog een blik naar de hoek waar ik haar het laatst had gezien, leunde naar voor, pakte het boek van de tafel, en begon de laatst bereikte paragraaf te lezen.