Die Avond (2)

Veel werd er eerst niet gezegd. Ze staarde met een tranige blik naar het hout dat knarste in de kachel en nipte voorzichtig van haar warme thee.

Om de stilte te breken, vroeg ik wat haar lievelingskleur was. Het klonk grappiger dan ik had bedoeld, en haar blik verloor de fixatie op het vuur en richtte zich op mij. "Bruin", zei ze, "maar wel... charmant-bruin". Die glimlach daarna, herinner ik me voor de rest van mijn leven. En ik moest haar gelijk geven, want op haar donkergroene trui na, was alles bruin, van de botjes tot haar knierok, die door de kanten afwerking af en toe stukjes van haar benen prijsgraf. Ja, bruin, dat stond haar beeldig, en ik was blij voor haar dat ze een brunette was.

Stilte. Enkel de koekoeksklok, die geduldig de klok van één afwachtte, maakte een krassig geluid, alsof ze elk moment de geest kon geven. Ik durfde haar niet te vragen over het waarom. Het waarom van die achtervolging, het waarom van het droevige in haar ogen.

En toen deed ze, zonder een woord te zeggen, haar botjes uit. En ik zag benen met zoveel krassen en blauwe plekken, dat ik in haar plaats de pijn voelde die zij wel moest ervaren. En ze vertelde. Over een klootzak van een vent die haar sloeg en zich elke dag bezoop en haar met de hoeren van de straat bedroog. Ze weende en ik vroeg niets, want dat hoefde niet, en ik luisterde. Zo zaten we daar, uren, naast elkaar op de sofa onder een onhandig groot deken. Ik schonk haar nog een volle tas thee bij. Zij babbelde verder en ik luisterde. Met af en toe een pauze, want dan weende ze, en dan voelde we ons samen goed, denk ik.

-

Ik werd gewekt door de zon op mijn gezicht. Haar hoofd lag op mijn borst en een streepje licht op haar voorhoofd was de plaats waar ik haar wakker kuste. Het ontbijt daarna smaakte als het beste in jaren, en we lachen om de mussen die in de tuin kwamen tsjirpen voor wat brood. Wat gisteren was, was voorbij, en wat vandaag was, was toekomst. We hebben gebabbeld tot 's middags, en toen is ze vertrokken. Ze keek nog even om, gooide me een kus en verdween toen om de hoek. Ik bleef nog een hele tijd uit het raam hangen, luisterde of ik haar botjes nog kon horen. En ik blééf ze ook horen, dacht ik. Toen zag ik een beginnend plantje in de bloembak en ik wist dat het een prachtige dag ging worden.

Later die dag vond ik op tafel een briefje, met een een lippenstiftkus. Op de achterkant stond:
"De thee was lekker, dankjewel. L."
Ik heb nog nooit zo gejammerd omdat ik iemand zijn naam had vergeten vragen.